Transformatie
Meer brokken, meer schade, meer etter, en toch: geen wonde.
Nu is een uitgelezen moment om het over transformatie te hebben. Je bent nog steeds dezelfde als eerst, alleen heb je nu meer praatjes. Wat weet ik van transformeren. Mijn leven is een puinhoop. Toch zal ik niet zwijgen zolang er profeten luidkeels betekenis blijven prediken, want mijn smerig kluwen beschrijven is eerlijker dan een nieuw paradijs aan te moeten kondigen.
Omnia mutantur, nihil interit. Volgens Pythagoras gaat niets verloren. Het is een elegante gedachte, en waarschijnlijk daarom onjuist. Dingen verdwijnen voortdurend, en ook wat voorbij is, komt niet meer terug. Lichamen sterven en nemen hun schamele restwarmte mee de verbrandingsoven in, en ook gedachten aan toen verdwijnen tussen de rotsen en zelfs de handen die deze woorden neerschrijven worden straks een hoopje huid vol stinkend vocht, leeggezogen door vleeskleurige maden.
Alles gaat verloren, ja toch, alles gaat verloren. Toch brengt die magische verdwijntruc van ’t rechte eind geen innerlijke vrede. Op sommige plaatsen in de boomgaard, ergens tussen de citroen- en de sinaasappelbomen, ruikt de grond zoet en giftig, alsof er onder de plakkerige aarde iets ligt dat langzaam openbreekt, maar zich toch niet wil tonen. Mijn zwarte klompen zakken dieper dan ooit weg, en wanneer ik naar beneden kijk zie ik donkere worteldraden en dunne, bruine slierten kronkelen, en het krioelen, het krioelen van een vreemd soort regenworm.
Het begon in stilte. Tussen de bergen, tussen rots en groen weiland, is het altijd stil. Daarna volgen er allerlei afwijkingen binnenin, zoals een extra ruimte aan de eettafel, waarvan ik zeker wist dat er ooit had gestaan, misschien geen voorwerp, maar een tegengestelde van een voorwerp, en ik kon het voelen, als nat hout, maar dan leeggezogen uit een betoverde waterbron die miljarden jaren later onaangeraakt zou zijn gebleven. Ik kon mijn hand eromheen bewegen, want in de leegte van de zware ruimte, kon ik de amputatie van wat-heet-energie ombuigen. Er ontstaan vervolgens paden die nu niet meer te bewandelen zijn, en ook zij sterven af, als stompjes van de ledematen van een verdronken zoogdier.
Ik hoef geen vijftien delen van een Latijns dichtwerk te herkauwen over het onomkeerbaar veranderen van een toestand, dus een voorstelling, van een denkend wezen. Ik hoef alleen maar te wonen, in een woning of in woorden, en te verblijven, als een voelend dier. Verderop rijst het gebergte, als een kaal blok rots, vormloos, een massief stuk gebeente dat uit de planeet steekt, met een grijze wand vol erosie en scherpe randen, en er groeit niets, behalve zwarte vlekken korst. Soms hangen daar gieren te wachten tot een bewegende massa tot stilstand, tot een langzaam uitbarsten, komt.
Wat later volgt de weerstand. Mijn lichaam was niet meer van plan om mij te blijven dragen, en ook de muren dachten dat het anders kon, want ze verdampten en ze keken toe. Wat verdwijnt, is weg, en wat achterblijft is niet minder dan eerst, maar meer. Meer brokken, meer schade, meer etter, en toch: geen wonde. Wat betekent het om met ons lijden samen te leven, of zonder? De boze geest van vandaag en de kwade dag van gisteren; ze zijn allebei ontworteld. Hun bloesems, geplukt in het verkeerde seizoen, ongeacht de tijd van het jaar, bieden geen verklaring en geen waarheid. In de wolken van voorbijtrekkende verklaringen verschijnt een verkondiger van nooit, en ook hij is overtuigd van zijn unieke bestaan.
Verderop cirkelen de gieren in de lucht, hoog en traag. Zij bewegen niet als zoekende dieren, want zij weten waar het vlees ligt. Ik kan niet zien wat er achter de heuvel gebeurt. Dit verdwijnen verschijnt behalve in de kamers, ook in mijn taal. Zelfstandige naamwoorden hangen los aan elkaar als lege watervliezen, en sommige woorden spreek ik al verrimpeld uit. Straks kan ik me niet meer langs mijn muren bewegen, alle stevigheid werd er herhaaldelijk uit geslagen, en ik voel hoe mijn huid verdunt met elk inhaleren. Mijn schouders worden week, en weker, en ik weet niet wat eerst zal verdwijnen, mijn lichaam, of mijn woorden. Het huis verschijnt altijd eerst als huis. Daarna begint het veranderen, van een toestand, van een voorstelling, van een gedrag, of een vorm, van iets. Nu is een uitgelezen moment om het over transformatie te hebben.

